Hoe bewaar je een ramp
11 november 2010

Maak: Zo bewaar je een ramp

Met een oude textielfabriek als decor zingen en spelen honderden Enschedeërs dit weekeinde mee in MAAK, de opera over de verwerking van de vuurwerkramp. Zaterdag was de eerste gezamenlijke repetitie op locatie.„ Alle verhalen waren er al, we moesten ze alleen nog vinden.”

Door Herman Haverkate en Michel Arkes – Foto Emiel Muijderman

 

Onbegrijpelijk’, zegt Paul Pol, „dat ze dit gebouw willen slopen.” De technicus van MAAK en de Nationale Reisopera staat in het schemerduister. Beneden, in de grote hal, zingt het koor het Lacrimosa uit het Requiem van Mozart. Boven schijnt het licht van een bouwlamp in wat ooit een ventilatiekanaal was. „Een van de vele geheimen van deze fabriek. Met een geweldige akoestiek.`Die gaan we ook gebruiken. Een zangeres en een fluitiste doen er een lied. Het publiek beneden krijgt dat op een groot beeldscherm te zien.”

De oude Gherzi-weverij van Van Heek: Pol is er lyrisch over. „Een mooiere plek voor MAAK was er vermoedelijk niet vinden. Hier leeft het verleden van de stad. De fabrieken, de textiel. Ooit stonden hier machines. Nu is alles leeg en vervallen. Deze opera is in zekere zin ook een requiem. Als wij weg zijn, gaat alles op de schop.”

Het is nog vroeg zaterdag, als de eerste MAAK’ers het gebouw aan de Lage Bothofstraat binnendruppelen. Zangers, spelers, technici en muzikanten.

Honderden Enschedeërs, vandaag voor het eerst bij elkaar om op locatie de opera over de vuurwerkramp te repeteren. Een spannend moment, vindt bas Jan Garritsen, maar tegelijk de kroon op al die maanden „Man, er zit zoveel positieve energie in dit gebeuren. Alleen daarom al is dit project geslaagd. In mijn beleving is dit iets van de hele stad. Van al die gewone mensen die de ramp - ieder op hun eigen manier - hebben meegemaakt.

Daarom wilde ik ook per se meedoen. Ik ben in het rampgebied geboren. Ik speel Het Verdriet. Je ziet me overal tussendoor. Af en toe zing ik nog wat ook.” De repetitie vanmorgen heeft een geïmproviseerd karakter. Er wordt gelachen, en er gaat af en toe nog iets mis.

„Alles is anders dan normaal”, zegt regisseur Ellen den Hollander. „Dat maakt het ook zo spannend.” Positief punt: er is vanmorgen voor het eerst verwarming. „Je wilt niet weten hoeveel moeite dat heeft gekost. Toen we hier kwamen, was er helemaal geen stroom. Daar heb ik nog wel eens slapeloze nachten van gehad, ja. De eerste dagen knalden regelmatig de stoppen door. Zaten we opeens in het donker. Maar voor de rest zeg ik: dit gebouw, met z’n geschiedenis, is een groot cadeau. De beelden van de drie schrikgodinnen, die hier op de gevel stonden, boden mij uiteindelijk de sleutel tot het schrijven van de tekst.

Het is een oude wet van spelen op locatie: de verhalen zijn er al, je moet ze alleen nog zien te vinden.” In de hal, die als theater dient, wordt de hele ruimte bespeeld. Het publiek zit in het midden. Op een tribune en tachtig houten klossen, voor de avontuurlijke geesten onder de bezoekers.

Den Hollander: „ Het is geen verhaaltje van A naar B. Het publiek moet actief zijn, keuzes maken. De voorstelling wordt om je heen gespeeld. In twee denkbeeldige straten. Je moet veel naar boven kijken, zoals dat op de dag van de ramp ook gebeurde. Toen stond zo’n beetje iedereen naar de lucht te kijken. Ook video speelt een grote rol. Ook dat is een beeld dat is blijven hangen. De vuurwerkramp was, zeker in de eerste dagen, iets dat je vooral via de tv beleefde.”

Uitgebreide decors zijn er niet bij MAAK. Steeds vloeit de vormgeving voort uit wat er ter plekke was: een stapel boomschors, dakpijlers die met een paar deuren van de Gamma een geabstraheerde straat in Enschede vormen, transportkarretjes die als een mobiele schutting de voorstelling worden binnengereden. „Die schutting om het rampgebied, dat was misschien wel de grootste frustratie die we zijn tegenge­komen. Dat je niet bij je huis kon, dat heeft de mensen diep geraakt.”

Ondanks de tegenslagen, is de voldoening groot. „Dit is zo dankbaar om te doen”, zegt muzikaal leider Frank Deiman. De afgelopen zomermaanden, in de achtertuin van zijn huis, zette hij sa­men met Ellen den Hollander de ope­ra in de steigers. Echtgenote Diet Gerritsen speelt de rol van schrikgodin.

„We hebben eigenlijk niets hoeven te bedenken. Alles is ons aangereikt. Kijk met hoeveel we hier staan te zingen: amateurs, gewone mensen uit Enschede en zelfs een compleet kinderkoor.

Zij zijn het echte kapitaal van MAAK.” Een half jaar van intensief onderzoek, praten met mensen, repeteren en schrijven is aan dit weekeinde voorafgegaan. Een tijd die in ieder geval El­len den Hollander niet in de koude kleren is gaan zitten. „ Er moest zoveel gebeuren. Ik heb hier af en toe zelfs wc’s staan schoonmaken In het begin was er ook wel weerstand: een opera over de vuurwerkramp, dat hoort volgens sommigen niet. De ramp zit ook veel dieper dan ik vooraf dacht. Veel mensen worstelen nog met hun verdriet.”

MAAK bestaat uit een losse collage van liederen, teksten en verhalen. Met muziek als stuwende en verbindende kracht. Sommige teksten zijn abstract, andere heel herkenbaar en concreet.

„ Ik zweefde in een bakje boven de grond op zoek naar stukjes van dat meisje”, leest brandweerman Onno Raspe. De andere deelnemers horen hem in grote stilte aan. Even later wordt er zelfs letterlijk uit brandweerrapporten geciteerd.

Sommige mensen spelen of zingen hun eigen verhaal. Soms op film, soms live. De vrouw bijvoorbeeld die ergens in het rampgebied onder een trap heeft gezeten. Of Geert Meuffels, musicus.

Sinds de ramp heeft hij die geen noot meer op papier heeft gezet. Zijn huis is compleet verwoest. Voor deze opera heeft hij voor het eerst weer een stuk geschreven.

„ Dit alles grijpt me bij de strot”, zegt Christa Polman. Ze zingt - afwisselend met Dolly Dral - ergens halverwege de opera een lied. „Ik zing wel vaker solo, maar dit is anders. Er zijn zoveel dra­den die je met de ramp verbinden.

Mijn man is er op de dag zelf naar toe gegaan en heeft ergens op een stoep een dode gevonden. Dat beeld achtervolgt hem nu nog. Zelf werk ik op een revalidatie-afdeling. Ook daar kom ik nog vaak met de ramp in aanraking.”

Het lied dat ze zingt, heeft een toepasselijke tekst: ‘Mijn hart moet luchten’.

Even daarvoor zingt Wouter Muller ‘Mijn stad heeft een klap gehad’. In de immense hal lijkt het geluid bijna weg te vallen. Christa Polman beleeft het met hart en ziel. „Dit stuk helpt je om de draad weer op te pakken.”

Uit: TwenteUITdeKunst, 11 november 2010

Muziekkwartier Nationale Reis Opera Tubantia