Anoniem
Geachte lezer, Naar aanleiding van een artikel in de krant zet ik mijn herinneringen op schrift. Misschien kunnen jullie er iets mee. Misschien ook niet. Mijn ervaringen zijn van een andere orde, dan die van andere mensen, die in de stad waren toen de ramp gebeurde. Ik ben gelukkig niet getraumatiseerd. Wel heeft het een diepe indruk gemaakt en veel met ons gedaan. Alle indrukken in de stad, de berichten in de kranten en op de televisie. De verhalen die we hoorden.
Zaterdagmorgen van de rampdag vertrekken mijn zoon, dochter en ik al vroeg naar het westen van het land, naar de kust i.v.m. Moederdag, een verjaardagsfeest en een zonnig weekend. Buiten op straat is het een gezellige drukte. De mensen zijn bezig in hun tuintjes, doen boodschappen, of genieten al vroeg van het mooie weer middels wandelen, fietsen etc.
‘Jeetje, wat een vuurwerk’
Vanwege het mooie weer besluiten we om s middags naar het strand te gaan. Lekker zonnebaden en zwemmen in zee. ‘s Middags als we op het strand liggen vraagt mijn zoon:“ Voelde jij ook die trilling?“ Ik reageer verbaasd;“Nee, hoezo?“ Even later nog eens diezelfde vraag. Ik vraag me af wat hij heeft gevoeld en laat het rusten.
’s Avonds na het avondeten aan tafel bij mijn moeder horen wij via het nieuws over de vuurwerkramp in Enschede. De eerste beelden van de vuurwerkexplosie zijn te zien op de tv. Mijn eerste reactie: jeetje, moet je eens kijken, wat een vuurwerk Maar al snel gaat de verbazing over in ontzetting. Mijn zoon, dochter en ik proberen telefonisch contact te krijgen met buren, vrienden, vriendinnen en bekenden. Sommigen van hen wonen in de buurt of in het gebied van de ramp. We krijgen geen contact en besluiten om het later nog eens te proberen. We gaan naar het verjaardagsfeest. ‘s Avonds zien we op het nieuws hoe erg het is in Enschede. Het lijkt wel een oorlogsgebied. Een familielid, op vakantie in Bali, belt om te horen hoe het met ons is. Wij kunnen hem gerust stellen. Wij blijven het nieuws volgen.
Geen mens buiten
De volgende dag moeten we ‘s avonds terug. De berichten via het nieuws geven aan dat de stad is afgezet om ramptoeristen te weren. Ik vraag me af of we nog wel thuis kunnen komen. We maken ons zorgen om een aantal mensen die we niet hebben kunnen bereiken. Ik vraag mij af of ons huis ook beschadigd is. We gaan op pad met lood in ons hart.
Als we via een omweg thuis komen valt ons op dat het stil is op straat. Geen mensen buiten. Weinig verkeer op straat. Geen wandelaars of fietsers op pad richting de stad of genietend van het mooie weer. Er is niets meer te bespeuren van de gezelligheid van de zaterdagmorgen voor de ramp. Er hangt een bedompte sfeer. Er hangt een nare geur in de lucht. We gaan naar binnen en inspecteren ook ons huis. De volgende morgen moet mijn dochter naar school in Enschede-Zuid, waar de kinderen worden opgevangen en voorbereid. Ze kan niet naar school in het ramp gebied. Dan ziet ze pas weer de vriendinnen, die ze niet kon bereiken. Daar hoort ze de verhalen over en van vrienden, kennissen die wel zijn getroffen. Mijn zoon heeft weer contact met zijn vrienden. Een van hen woont in het rampgebied op kamers en kan niet terug. Het huis is beschadigd. De buurt is afgezet. Hij verblijft tijdelijk weer bij zijn ouders. Omdat mijn dochter elke dag naar school door het rampgebied moet, besluit ik om te gaan kijken, wat ze allemaal tegen kan komen.
Diepe indruk
Op de fiets ga ik maandag morgen naar het rampgebied en fiets langs de afzettingen in een straal van 10 km. Ik ben onder de indruk van wat ik allemaal zie en van de omvang van het rampgebied. Ik hoor de verhalen van anderen die wel in het rampgebied waren. De angst, de onrust, het onbegrijpelijke. Het maakt een diepe indruk op me. Ik ben geschrokken van wat ik zag en van de verhalen, die ik hoorde. Maar ik zal het nooit zo voelen, als al die mensen die wel in de stad of in de buurt waren toen de ramp zich voltrok. Ik prijs ons gelukkig, dat we dat weekend weg waren. Want stel dat we hier waren geweest. Wat was er dan met mijn dochter of zoon gebeurd, waarvan vrienden en vriendinnen in het rampgebeid woonden en die elkaar vaak in het weekend bezochten?




