Pieter-Jan Piek
Ik wou op die dag een vriend van me van het station halen, ik woonde destijds in het centrum. Op weg daarheen zag ik in de Korte Hengelosestraat bij de spoorovergang richting noord een zwarte rookpluim, daar was kennelijk brand, nieuwsgierig stond ik in dubio zal ik er heengaan?, nee eerst die kennis ophalen. Dit gedaan te hebben zijn we vervolgens de stad ingelopen om bij Engbers lederwaren een koffer te kopen voor onze vakantie.
Terwijl de kennis de koffer bij daglicht houdt loop ik even de deur uit van de zaak en zie zonder iets te horen alle ruiten(etalages) in de omgeving plots instorten, heel raar en onwerkelijk, niets te horen , niets waar te nemen, plots vallen de ruiten naar beneden.
Vervolgens kijk ik om de hoek rechts de Havestraatpassage in en zie een drom van honderden mensen als een tsunami op me afkomen tegelijk met een enorme dreun/klap(de eerste) en zie de hemel grijs/grauw worden met een vuurwerkfontein toren hoog, wat zeg ik wolkenhoog. Mijzelf in dekking brengende voor eventuele gevolgen. Vrouwen met kinderwagens al gillend maar ook anderen op me af komend en ziend, duik ik weg. Vervolgens ren ik zo snel ik kan richting Van Loenshof alwaar ik woonde om mijn fiets uit de kelder te halen en het gevaar tegemoet te gaan, ondertussen de tweede definitieve klap te ondergaan met hartkloppingen in mijn keel en twijfels of ik wel zal gaan kijken.
Stilte
Onderweg naar de Grolsch Brouwerij fiets ik over de Deurningerstraat schuin door langs de voormalige Melkuni naar de Singel alwaar een agent bloedend en gehavend en wel tracht het verkeer te regelen, beduusd en wazig voor zich uitkijkend. Ik negeer zijn aanwijzingen en steek de Singel over, alsof je naar een rampenfilm kijkt daar waar bommen zijn gevallen, een oorlogsfilm aan het front, noem het maar op hoe het lijkt. Voor mij, de straat inrijdend wordt het pikke donker, geen hand voor ogen te zien, dooooooooooooooodse stilte alsof de atoombom is gevallen en alles heeft weggevaagd. Het enige wat je her en der hoort zijn de alarmsignalen van sommige huizen, niemand op straat. Ik fiets verder rechtsaf de Walhofstraat richting Grolschbrouwerij in, overal puin, as, donker en nog eens donker en op de achtergrond richting oost het inferno van de brandende brouwerij, een zwarte muur - alsof je in een grot bent- met daaroverheen de hoge intense hitte en vlammen alsof het een slecht brandend openhaardvuur was in een roetdonkere schouw.
Naar huis
Niet vertrouwende op nog een klap keer ik om en hoor her en der gekerm en niet definieerbare geluiden, nauwelijks hoorbaar toch waarneembaar, en fiets onthutst en met tranen in mijn ogen, niet door de rook maar door de blikken op gehavende mensen en puinhopen onderweg, naar huis. Het was daar niet zo dat gewonde mensen direct door mij geholpen dienden te worden, want dan had ik het wel gedaan maar in het oog van de ramp was op dat moment niets te zien c.q. waar te nemen. Meteen daarna breng ik verslag uit aan mijn moeder verderop in de stad middels telefoon, meteen daarna was de verbinding verbroken inzake telefoonverkeer.
Het heeft jaren geduurd aleer ik enigszins het meegemaakte heb verwerkt, en nog schiet het me vol bij beelden en beleving ervan, ik druk het bewust weg.




